dewest14jan1935-kopDe West, 14 januari 1935, pag. 4

Uit de Rechtzaal

Een voorbeeld van onbaatzuchtigheid

De Javaansche winkelier Toemin, aan Leiding IX, had eenige winkelgoederen noodig. Veel geld had hij niet. Maar hij had een voorraad rijst. Dus besloot hij – het primitieve ruilverkeer toepassend – deze in te wisselen voor andere waren.
De Britsch Indische karreman Soomaroo verleende zijn diensten om een hoeveelheid balen rijst naar de stad te vervoeren. Bij een Chineesche winkelier aan de Heiligenweg werd deze rijst omgezet in de goederen die Toemin noodig had, waaronder een blik bakolie en een kist sardines.
Aan dit internationaal gezelschap (Javaan, Hindoe, Chinees) ontbrak nog de Creool. Deze liet niet lang op zich wachten. Toen Soomaroo zijn vracht vervoerde naar Leiding IX (de winkelier was per fiets vooruit gegaan) viel het hem op, dat van af het begin van de Verlengde Gemeene Landsweg een lange zwarte man constant zijn wagen volgde. Deze man (hij bleek later Richenel te heeten) liep vlak achter de kar, ja, hield zoo nu en dan de kar vast.
Soomaroo voelde zich niet behagelijk. Hij was liefst dit gezelschap kwijt. In de hoop, dat de man hierin een wenk zou zien om zijn eigen gang te gaan, vroeg hij hem : Waar ga je heen ?
Naar Kasabaholo.
Richenel zeide niets meer, maar bleef vlak achter de kar.
Gekomen bij de Tammengaschool, moest de os wat rusten. Het kan ook zijn, dat Soomaroo een kleine hartversterker noodig had, om moed op te doen voor de komende dingen.

Toen hij terugkeerde en de kar verder ging, bleek Richenel nog steeds, als een trouwe wachter, bij de wagen te staan.
Soomaroo monsterde vluchtig de kar en ontdekte dat het blik bakolie verdwenen was.
Hij durfde echter niets zeggen, want de man die hem als een schaduw volgde, was zoowel in lengte als in lichaamskracht zeker zijn meerdere.
Het scheen echter, dat Richenel er nu zelf genoeg van had. Want plotseling keerde hij zich om en sloeg de richting van de stad in.
Intusschen zat de winkelier te wachten op zijn goederen. Een auto passeerde Leiding IX en de bestuurder riep hem toe: Als straks je goederen komen, moet je goed opletten of er niets vermist wordt !
De winkelier hield zich dit voor gezegd. Toen eindelijk de ossenwagen arriveerde, hield hij een inspectie en bleek het, dat een blik bakolie en een kist sardines ontbraken.

Het is merkwaardig, hoeveel oogen er zijn op een lange, eenzame, schijnbaar verlaten weg. Want de diefstal was niet alleen opgemerkt door de autobestuurder, ook iemand anders had het gebeurde gezien. Hij waarschuwde de brigadier Rijsdijk, dat een jongen eenige goederen had genomen van een karreman en die verstopt had in het struikgewas ter plaatse.
De brigadier besloot om zich verdekt op te stellen en de terugkeer af te wachten van de dief, die natuurlijk niet zou nalaten zijn buit te komen halen. Hij verzocht zijn broeder, de beambte derde klasse, om hem gezelschap te houden. Beiden zaten, in burgerkleeding, in de boschage. Aangenaam was hun picnic niet. Het was intusschen donker geworden en de muskieten kwamen in drommen aanzetten, om de indringers hun verblijf te betwisten.

Intusschen was Richenel teruggekeerd in de stad, waar hij in de Nieuwe Dominéstraat een kamertje deelt met zijn vriend Frits, eveneens een goede bekende van de^politie.
Ik heb een halve gulden noodig, verklaarde Richenel, om twee fietsen te huren.
Waarom ? vroeg Frits. Wordt gij fiets acrobaat, dat gij twee tegelijk wilt rijden ?
Neen, zeide Richenel, de fietsen zijn voor ons beiden. Ik heb opgemerkt, dat ergens aan de Gemeene Landsweg eenige goederen verborgen zijn in het struikgewas. Ik wil er heen gaan, om de politie te helpende goederen op te sporen. Wilt ge meegaan ? Natuurlijk, antwoordde Frits. Voor een goed doel ben ik altijd te vinden.

Het tweetal gaf daarmede blijk van een hartroerende onbaatzuchtigheid. Want van de politie hebben zij totdusverre niet veel goeds ondervonden, integendeel. Zelfs werd Richenel op dat oogenblik gezocht door de politie, die over een zeker zaakje dringend inlichtingen wil hebben. Richenel vond het danrom beter, om zich niet te diep in de stad te wagen. Hij verzocht Frits om de fietsen te gaan huren, bij van Eer in de Saramaccastraat.

Een oogenblik later zien wij de beide heeren dezelfde weg op fietsen, die te voren door de ossenkar was afgelegd. De beambten in de boschage, die trappelden van ongeduld en v«n de muskieten, zagen met levendige voldoening het tweetal naderen. Eerst reden zij de plek voorbij waar de goederen verborgen waren. Toen stapten zij af en keerden, al verkennend, terug, links en rechts kijkend.

Richenel wijst aan Frits de plek. Deze verdwijnt in de struiken en komt even later terug met de kist sardines. Als hij die op zijn bagagedrager laadt, komt de politie te voorschijn. Nu zou men denken, dat Richenel naar voren zou treden en met trots uitroepen: Zie, politie, ik ben gekomen om U te helpen deze gestolen goederen op te sporen!
Maar niets van dat al!
Als een hazewind springt Richenel op zijn fiets en zet koers naar. de stad, met een snelheid die hem kans gaf nog een boete er bij te krijgen, wegens te snel rijden.
Frits kan, door de kist, niet zoo vlug op zijn fiets komen. Hij werpt fiets en kist tegen de grond en vliegt het land in.

De beambten hem achterna en na een opwindende jacht wordt hij eindelijk aangehouden in een zwamp van de boerderij van Brussel.
Teruggebracht op de plek waar nog steeds de kist sardines wachtte, werd spoedig ook het blik bakolie gevonden.

Frits werd in verzekerde bewaring gesteld. Een dag later volgt zijn kameraad Richenel.

In de rechtzaal geven zij weder het verhaal ten beste, dat zij alleen ter plaatse gegaan waren om de politie van dienst te zijn. Maar de rechter is snood genoeg om zonder notitie te nemen van hun onbaatzuchtigheid Richenel te veroordeelen tot twee maanden en Frits tot zes weken gevangenisstraf, beide met openbare te werk stelling.

Ondank is ’s wereldsloon.
Al wordt heel Suriname gestolen, dan zullen voortaan deze heeren geen hand uitsteken om het te verhinderen !
dewest14jan1935