De vrouw van de omstreden dominee

Het leven van Anna Pannekoek, de vrouw die aan de Saramacca een eigen straat en graf kreeg

Door Marlies Medema
Februari 2021

Ze wilde aanvankelijk helemaal niet naar Suriname. Maar de ambities van haar echtgenoot dreven Anna Sophia Pannekoek de oceaan over. Haar graf is nog steeds in het Surinaamse Groningen te vinden, mijlenver van de papierdynastie waarin ze opgroeide.

Grafsteen van Vrouwe Anna Sophia Pannekoek. Geboren te Heelsum den 28 July 1799. en Overleden den 10 November 1845. Echtgenoote van A. van den Brandhoff EZ Herder en Bestuuder der Europesche Kolonisatie aan de Saramacca.

Juli 1799. Het is een frisse zomerdag in Heelsum. In een villa aan de huidige Utrechtseweg 63 klinkt het klaaglijke gehuil van een pasgeboren baby. Terwijl Johanna Prins in de kraamkamer het meisje laat inbakeren, uitgeput van alle inspanningen rondom de bevalling, laat trotse vader Nicolaas Pannekoek een bericht sturen naar de arbeiders in zijn papiermolens, verderop in het beekdal. Anna Sophia, gaat zijn oudste dochter heten. Naar zijn eigen moeder.

Nicolaas Pannekoek en Johanna Prins, de ouders van Anna Sophia

Op 4 augustus 1799 houden Nicolaas en Johanna het meisje ten doop in de Nederduits Gereformeerde gemeente, het ‘kerkje op de heuvel’. Het hele dorp is toegestroomd bij de plechtigheid. Anna’s moeder is een stuk jonger dan haar vader: ze schelen vijftien jaar in leeftijd. Terwijl Nicolaas dagelijks toezicht houdt op de arbeiders die lompen sorteren, de maalbakken laten draaien en de vellen papier drogen, groeit Anna thuis op bij haar moeder, Johanna Prins (1774-1853) en het huispersoneel. Anna’s moeder komt uit een aanzienlijke familie. Opa Hermanus is burgemeester van Bennekom en datzelfde geldt later ook voor haar oom Theodorus. Het Bennekomse landgoed Nergena, tot 1830 eigendom van opa Prins, is beslist een fraai optrekje geweest.

Al snel krijgt Anna een reeks broertjes en zusjes: Theodorus, Neuij, Johanna Stephania, Stephanus, Hendrikus, Nicolaas en Anna Maria (Annemie). Maar zoals in de negentiende eeuw vaker voorkomt, bereikt niet iedereen gezond de volwassen leeftijd. Als Anna twee jaar oud is, verliest moeder Johanna een kindje bij de geboorte. Wanneer Anna elf is, sterft zusje Johanna Stephania door een onbekende oorzaak. Er is geen grafje. Is Johanna Stephania omgekomen bij een brand? Is ze verdronken? We zullen het nooit weten. Jaren later, als Anna bijna volwassen is, moet ze afscheid nemen van haar geliefde broer Theodorus, die een jaar jonger is dan zij.

Als Anna 22 of 23 jaar oud is, maakt ze kennis met de drie jaar oudere dominee Arend van den Brandhof, zoon van een welgestelde graankoopman uit Utrecht. Arend, die dan het grootste gedeelte van zijn leven aan de Utrechtse Neude heeft gewoond, is net begonnen aan zijn eerste baan als predikant in Schalkwijk, een grotendeels katholiek dorp ten zuiden van de Domstad. Misschien hebben beide vaders een zakenrelatie met elkaar. Of bezoekt Arend vanuit beroepsinteresse het kerkje op de heuvel. In elk geval is hij een partij die de goedkeuring van Anna’s ouders kan wegdragen. Op 14 april 1823 gaat Anna met haar breedgeschouderde dominee in ondertrouw bij de schout van Renkum. Kort daarop vertrekt ze met haar uitzet per koets of trekschuit naar de pastorie op de Brink van Schalkwijk. Het stel blijft daar niet lang wonen. Kunnen ze niet helemaal aarden tussen de katholieken, in de tijd waarin protestanten en ‘papen’ nog gescheiden groepen vormen? Mist Anna haar familie en wil ze liever dichterbij Heelsum wonen? In elk geval neemt Arend ruim een jaar later een beroep aan in Elst, bij Rhenen, meer in de richting van Anna’s ouderlijk huis.

Huidige kaart met de dorpen in Nederland uit het verhaal van Anna Sophia Pannekoek: Schalkwijk, Elst, Bennekom, Renkum en Heelsum (Google Maps)

Jarenlang lijkt het leven van Anna rustig voort te kabbelen. In Elst, een dorp dat voor een groot deel bestaat uit boeren en tabaksplanters, zwaait ze de scepter over de dorpspastorie, die uitzicht biedt over de rivier de Rijn. En over haar kinderen Aartje, Evert, Johanna (Hansje), Henriëtte (Jetje), Nicolaas, Arend, Geertje en Antje. Eenmaal, in de winter van 1832, bevalt ze voortijdig van een kindje, dat overlijdt. Maar in verhouding met Aartje van den Brandhof en haar echtgenoot Dirk Copijn, Anna’s schoonzus en zwager, met wie Anna en Arend nauw bevriend zijn, is de dood genadig voor haar gezin. Schoonzus Aartje verliest maar liefst negen van haar elf baby’s.

ds. Arend van den Brandhof

De jaren verstrijken. Arend wordt af en toe beroepen door kleinere kerkgemeentes, maar wijst stuk voor stuk die beroepingen af. Hij doopt de kinderen van tabaksboeren, predikt, zendt in 1830 een groep jongemannen met Gods zegen uit naar de Belgische opstand. En dan, in 1839, krijgt Arend een fascinatie voor Suriname. Na het lezen van meerdere artikelen en boeken gaat hij op zoek naar vacatures in dit tropische land aan de andere kant van de oceaan, maar die zijn er niet. Enkele jaren later bedenkt Arend een nieuw plan. Als er geen kerk is met een bijbehorende gemeenschap, kan er eentje gesticht worden. Zeker nu zoveel Nederlanders door armoede nauwelijks het hoofd boven water kunnen houden en graag ergens een nieuw bestaan willen opbouwen. Het is de tijd van crisis, mislukte aardappeloogsten en bedelaars op straat. Nederland verkeert aan de rand van een faillissement. En wanneer Arend, zijn zwager Dirk en studievriend Jan Betting – een team van drie dominees – een kolonisatievoorstel voorleggen aan het ministerie, krijgen ze na een tijdje akkoord van koning Willem II en Louis Guillaume Baud, de minister van Koloniën.

Anna wil aanvankelijk helemaal niet op reis, blijkt uit een van de brieven van Betting. Pas na verloop van tijd laat ze zich overhalen en gaat ze zich ook met de plannen bemoeien. Wat de oorzaak van haar aanvankelijke aarzeling is, is niet duidelijk. Misschien is ze eenvoudigweg gehecht aan haar familie en de streek waar ze woont.

Een zware longaandoening zorgt er bovendien voor dat Anna’s gestel niet sterk is. In haar laatste jaren in Nederland moet ze zelfs een aantal weken herstellen bij familie in Apeldoorn. Toch gaan de plannen door. Ook als Aartje, Arends zus en de echtgenote van dominee Dirk, overlijdt na jarenlange ‘ernstige zenuwziekte’. Ook als Jan Betting na een eerste verkenningsreis naar Suriname zijn twijfels uitspreekt – en uiteindelijk de reis zelfs ernstig afraadt.

De familie Pannekoek is niet geheel onbekend met Suriname. Een oudoom van Anna, Anthony Pannekoek, is boekhouder bij de VOC en koopt op latere leeftijd twee Surinaamse suikerplantages op: Berkshoven en Oostrust aan de Boven Commewijne. Anthony overlijdt al in 1772, dus Anna heeft haar oudoom nooit leren kennen. Maar misschien heeft ze wel verhalen over een zesweekse zeereis, tropenziektes en slavernij van haar ouders gehoord. Ze houdt haar reisplannen lang verborgen voor haar moeder en broers, mede omdat de regering niet wil dat de kranten er lucht van krijgen. Als Anna uiteindelijk aan haar moeder en broers vertelt dat ze gaat emigreren (vader Nicolaas is inmiddels overleden), is haar familie not amused.

Ligging van Plantage Berkshoven aan de Boven Commewijne en van de geplande Kolonisatie in 1845: Voorzorg aan de Saramacca. Fragment kaart van L.T. Reichel uit ca. 1800 (bron: Uit Suriname’s Historie, De Walburg Pers Zutphen, 1980)

Dat veel bekenden samen met haar de oceaan oversteken, van dorpsgenoten uit Elst tot zwager Dirk en zijn nieuwe echtgenote, maakt de zaak voor Anna makkelijker. Dirk, die zoals hierboven beschreven in 1840 zijn vrouw Aartje heeft verloren, is in intussen halsoverkop met zijn 26-jarige dienstbode getrouwd, tot verontwaardiging van de plaatselijke elite. Er zijn twee brieven bewaard gebleven die Anna schrijft aan Dirk. In haar stevige handschrift geeft ze haar mening over de ruzie die in de loop der tijd ontstaat tussen Dirk, Arend en Jan Betting, waardoor Jan uiteindelijk van het kolonisatieproces wordt uitgesloten. De laatste, die al langere tijd twijfelde over het slagen van het project, blijkt uiteindelijk misschien wel het beste deel te hebben gekozen. Als de groep in mei 1845, na maandenlang uitstel, naar Suriname reist, gaat er van alles mis. Na een zesweekse zeereis komt Anna met haar man, kinderen en een groep van een paar honderd boeren in Suriname aan. Slechts enkele maanden later overlijdt ze. En met haar vele anderen. Over Anna’s jeugd, haar huwelijk met Arend en de maanden in Suriname, gaat de roman ‘Papieren paradijs’, die vanaf maart 2021 in de winkels ligt.

Molen van de papierfabriek Pannekoek te Heelsum

En in Heelsum? Na de dood van haar man Nicolaas in 1829 heeft moeder Johanna de papiermolen overgenomen en runt hem tot haar dood, met behulp van haar zoons. Ze zal haar oudste dochter nooit meer in levenden lijve zien. Op verzoek van Arend laat ze in 1845 een steen verschepen voor het graf van haar dochter, die nu nog steeds in het Surinaamse dorpje Groningen te vinden is. In datzelfde dorp bevindt zich tegenwoordig ook de Pannekoekstraat, die nog altijd herinnert aan deze domineesvrouw.

Pannekoekstraat te Groningen aan de Saramacca, Suriname

De woning van Arend van den Brandhof te Groningen aan de Saramacca

 

De weg die uitkomt op het kerkhof is de huidige Pannekoekstraat. Anna Sophia Pannekoek is begraven op het kerkhof. Het huis van Van den Brandhof ligt aan de rivier (kaart van de kolonisatie aan de Saramacca uit 1846 volgens Tydeman, KITLV, Archief Van den Brandhof)).

Papieren paradijs

Over het leven van Anna Sophia en de geschiedenis van de boeroes schreef Marlies Medema de roman ‘Papieren paradijs’.

De roman is verschenen bij uitgeverij KokBoekencentrum en bij de lokale boekwinkels en online te bestellen. Voor meer informatie: kokboekencentrum.nl/boek/papieren-paradijs.